Voldoen de tunnels ?

Voldoen de tunnels aan de Nieuwe Ontwerprichtlijnen voor Autosnelwegen en Wegontwerp in tunnels?

Het ontwerp van de rijbanen moet niet alleen voldoen aan de Nieuwe Ontwerprichtlijnen voor Autosnelwegen (NOA)2 maar ook aan Wegontwerp in Tunnels – convergentie- en divergentiepunten in en nabij tunnels3 .

  • De richtlijn Wegontwerp in Tunnels geeft aan dat als een convergentie- of divergentiepunt dichtbij of in een tunnel ligt, dit extra risico’s oplevert. Vanuit een oogpunt van (verkeers)veiligheid is het dan ook wenselijk om een convergentie- of divergentiepunt op voldoende afstand van de tunnelingang of –uitgang te houden.
  • Tegelijk geeft de richtlijn aan dat daar waar door geografische omstandigheden het niet mogelijk is het convergentie- of divergentiepunt buiten de tunnel te leggen, overwogen kan Technische en financieel-economische haalbaarheid van een boortunnel in het Zoeken naar Balans-tracé - 18 - worden een dergelijk punt binnen de tunnel te leggen. Daarbij geldt dat aanvullende maatregelen genomen moeten worden. Verder geeft de richtlijn aan dat experts op het gebied van (verkeers)veiligheid beoordelen of de maatregelen voldoende zijn.
  • Het ontwerp van de boortunnel voldoet aan alle richtlijnen van de NOA en van Wegontwerp in Tunnels..

De genoemde tunnelnota onderschrijft de mogelijkheid van convergentie- en divergentiepunten binnen de tunnel, beschrijft alle varianten van dit soort punten en geeft uitgebreid voor alle punten aan welke minimale afstanden in acht genomen moeten worden.

  • In het Zoeken naar Balanstracé is er voor de lange boortunnel in combinatie met een knooppunt van het Blankenburgconcept sprake van een divergentie- en een convergentiepunt. in de tunnel. Voor deze combinatie is gekozen, omdat er in West-Nederland relatief weinig ruimte is en er op deze wijze zorgvuldig met (groene) ruimte om moet worden gegaan.
  • Hoewel strikt genomen het Wegontwerp in Tunnels door Rijkswaterstaat voor rijkstunnels is opgesteld, kan worden aangenomen dat deze richtlijn ook voor provinciale tunnels van toepassing is.
  • Een belangrijke factor in de perceptie van tunnelveiligheid is een goed en veilig gevoel bij de automobilist. Primair wordt aan veiligheid gewerkt als er ruimte en een goede verlichting in de tunnel is. De boortunnels in onderliggend rapport zijn zogenaamde “kathedraaltunnels”. De ruimte voor de ingang van de boortunnel, waar de invoeger en de uitvoeger zich bevinden, is ruim 30 m breed, 16 m hoog en 220 m lang. De goede verlichting (moderne tunnels in Italië zijn met serene LED verlichting uitgerust) versterken dat gevoel van veiligheid, evenals een matige snelheid van 80 km/u.
  • Verdere compenserende maatregelen in de tunnel zijn:
  • lengte van de invoegstrook conform NOA (235 m);
  • verkeer stroomopwaarts van de invoeger tijdig informeren;
  • zicht van het verkeer op de toerit op het verkeer op de hoofdrijbaan (aanwezig);
  • kans op file ter hoogte van de invoeger vermijden door:

* toeritdosering

* het verkeer op de hoofdrijbaan stroomopwaarts van de invoeger naar de linkerrijstrook te dirigeren.

  • Compenserende maatregelen in de tunnel bij uitvoeger:
  • lengte van de uitrijstrook conform NOA (150 m);
  • zicht op de uitrijstrook en op de afrit (aanwezig);
  • afstand tussen de uitrijstrook en de tunneluitgang (lengte afrit in de tunnel);
  • kans op terugslag van file op de afrit tot in de tunnel (randvoorwaarde);

Technische en financieel-economische haalbaarheid van een boortunnel in het Zoeken naar Balans-tracé - 19 -

  • bewegwijzering voor en in de tunnel.
  • De tunnelrichtlijn brengt de aanwezigheid van convergentie- en divergentiepunten ook in relatie met de overgang van licht naar donker. Deze punten liggen in dit geval echter zover van de tunneluitgang verwijderd dat buitenlicht geen rol speelt.
  • Verder mogen geen rijtaakverzwarende elementen aanwezig zijn (krappe bogen, kans op stilstaand verkeer, rijstrookwisselingen, etc.): de genoemde compenserende maatregeling zijn afdoende.
  • De Europese Tunnelrichtlijn geeft aan dat binnen een afstand van 10 rijseconden vóór de tunnelingang het aantal rijstroken niet mag veranderen. De afstand van de splitsing van de bogen naar de tunnelingang is meer dan de voorgeschreven 225 m. Er is daarmee aan de richtlijn voldaan.
  • Het aantal rijstroken voor, in en na de tunnel (2 x 2 ) mag niet veranderen, conform Europese richtlijn. Volgens de interpretatie in de richtlijn Wegontwerp in Tunnels tellen de rijstroken van de invoeger en de uitvoeger niet mee en beïnvloeden daarom het aantal rijstroken in de tunnel niet.

De implementatie van de nieuwe boortunneltechnologie in infrastructurele projecten vraagt ook nieuwe inpassingsontwerpen. In het licht van de snelle technologische ontwikkelingen en de wens van de overheid om boortechnologie als speerpunt te zien, is het aan te bevelen het beleid op dit vlak aan te passen.